Tot ziens

Het is half negen ’s ochtends en ik ben al minstens drie uur wakker. En nee, dat komt niet doordat ik om half zes vanochtend al uitgeslapen was. Het heeft te maken met het volgende: mijn laatste uren als brildragende zijn aangebroken. Over een paar uur wordt er namelijk een laagje van mijn ogen weggebrand door een laserstraal, wat ertoe moet leiden dat ik daarna weer goed kan zien.

Zonder bril.

En daarom lig ik al een tijdje wakker, zoals wel vaker het geval is als er iets spannends staat te gebeuren.

Straks vertrek ik met bril op mijn neus van huis en keer ik terug zonder. (Al staat er dan wel een speciale zonnebril op, die ik na de behandeling twee weken lang moet dragen als ik naar buiten ga. Of het nou zonnig is of niet.) 

ik heb geen idee hoe die bril eruit ziet, maar ik heb het vermoeden dat het zoiets zal zijn

ik heb geen idee hoe die bril eruitziet, maar ik heb het vermoeden dat het zoiets zal zijn

Ik kan me nu nog niet voorstellen dat ik straks geen bril meer nodig heb.

Wakker worden en meteen goed kunnen zien. Een zonnebril opzetten zonder die te hoeven verwisselen met mijn gewone bril. In de winter een café binnen lopen zonder dat mijn bril beslaat. De wereld niet meer door een kader van een paar vierkante centimeter zien.

Sinds mijn vijftiende heb ik een bril nodig. Dat vond ik verschrikkelijk en in plaats van een bril schafte ik contactlenzen aan. Nog rond mijn zevende wilde ik niets liever dan een bril nodig hebben. Of een beugel, of een gebroken been. Het maakte eigenlijk niet zo veel uit wat, zolang het maar iets bijzonders was. Maar toen ik twee keer zo oud was, wilde ik niets liever dan géén bril nodig hebben. Brillen waren lelijk en suf en stom. Dus die bril kwam mijn neus niet op. Na lang onderhandelen (en doordrammen) mocht ik lenzen in plaats van een bril. Als ik dan de lenzenvloeistof zelf betaalde. Dat had ik er graag voor over!

Sindsdien heb ik een aantal keer gewisseld tussen bril en lenzen. Want die lenzen was ik na een tijdje ook wel zat. In de tussenliggende jaren was er ook heel wat gebeurd op brillengebied. Er was een Specsavers met übergoedkope brillen in het land gearriveerd. En er waren overal opeens heel veel leuke hippe en trendy brillen te koop. Dus wilde ik wel zo’n ding op mijn hoofd.

Later stapte ik weer terug op de lenzen, tot mijn ogen daartegen gingen protesteren. De laatste jaren heb ik het daarom bij de bril moeten laten.

Met alle perikelen van dien.

Ik ben namelijk nogal kritisch op de dingen die aan mijn lichaam komen. Iedereen die ooit met mij is wezen winkelen (wat ik je overigens ten zeerste afraad als je een leuke dag wilt hebben) zal weten dat het niet makkelijk is om iets te vinden wat naar mijn gading is. Vooral niet als het om brillen gaat (en jassen en schoenen en broeken en … ).

Telkens als ik een nieuwe bril nodig had, ging ik de leukste brillenzaken van Utrecht af en kwam ik met lege handen thuis. En telkens weer lukte het dan na een paar maanden tijdens een bezoekje aan mijn ouders op Flakkee om daar wel dé bril te vinden. 

Ik heb daar twee brillen en een zonnebril op sterkte gekocht.

bijna al mijn brillen

bijna al mijn brillen

Daarnaast zijn er natuurlijk de praktische onhandigheden. De bril zat eerst te strak. Daarna te wijd. Eerst scheef naar links. Daarna scheef naar rechts. En als hij na een jaar van bezoekjes aan de opticien eindelijk op de juiste plek zat, liep ik wel een keer tegen de muur aan, waardoor hij weer scheef ging staan. En te wijd. En te strak.

En dan de krassen op de glazen, en vette vingers en al dat soort ongein. Ik zal het hier maar bij laten, maar je ziet, het leven als bijziende is niet zo makkelijk.

Daarom besloot ik, toen ik weer twee keer zo oud was, om daar maar eens een eind aan te maken. Na lang twijfelen en opties bekijken en klinieken afgaan, besloot ik dat ik er klaar voor was en maakte ik een afspraak.

Op dit moment twijfel ik met al mijn twijfelvermogen of ik er ook echt klaar voor ben.

Maar om kwart voor elf loop ik bij de oogkliniek binnen en om kwart voor één zwalk (ik krijg valium!!) ik daar weer naar buiten.

Ik hoop van harte jullie binnenkort weer te ZIEN!

Ik heb de sterke drang om dit te doen altijd weten te bedwingen tot nu toe. En het ging echt heel erg makkelijk!

Ik heb de sterke drang om dit te doen tot nu toe altijd weten te bedwingen.
En het ging echt heel erg makkelijk!
En het was fijn!

Een huis om wakker van te liggen

Sinds kort ben ik redelijk serieus op zoek naar een nieuw huis. Ik word mijn huis niet uitgezet en het is ook niet zo dat mijn huisgenoot niet meer lief is. Nee, ik wil gewoon graag iets wat helemaal voor mezelf is. Dat leek me al leuk toen ik voor het eerst op kamers ging en dat is al meer dan tien jaar geleden. Dus dat wordt nu wel eens tijd, dacht ik zo.

Het lastige is dat ik best wat eisen heb:

  • Ik wil dichter bij het centrum wonen. Nu moet ik soms nog twintig minuten naar huis fietsen en dat is gewoon niet leuk als je dronken moe bent en snel wilt slapen.
  • Ik wil het liefst drie kamers; een woonkamer en twee slaapkamers. Die tweede slaapkamer wordt dan mijn werkkamer, want ik werk soms thuis.
  • Ik wil ook wel graag een balkon of tuintje op het zuiden of westen, maar dat is niet per se een harde eis. Al ik zou het wel héél erg leuk vinden.
  • Ik wil het liefst cv in mijn huis. Sommige woningen die verhuurd worden zijn best oud, en daar zit dan een gaskachel in. Ik ben een koukleum en heb liever een goed warmtesysteem.
  • Ik zou het fijn vinden als er dubbel glas in zit, aangezien ik zo’n koukleum ben. En dat is nog beter voor het milieu én de portemonnee ook!
  • Ik wil een niet al te gehorige woning, want dan kan ik niet slapen.

En dan mag dit alles ook nog eens niet al te duur zijn.

Je ziet, ik maak het mezelf graag moeilijk.

Nu stuitte ik onlangs op een huis dat aan een groot deel van de eisen voldeed: in de wijk Lombok (= heel dicht bij het station), met drie kamers, met een tuin op het westen. En dat voor maar 350,- per maand!

Helaas geen cv en ook geen dubbel glas. Maar goed, het was het proberen waard, dus reageerde ik. Na een tijdje kreeg ik bericht dat ik mocht komen kijken. Bij WoningNet kijken ze naar je inschrijftijd, en aangezien ik inmiddels 9,5 jaar sta ingeschreven, leek het me ook wel terecht dat ik eindelijk eens ergens eerste stond!

Op dat moment begon het dromen van het huis.

Of beter gezegd het wakker liggen.

In mijn hoofd had het zich al omgevormd tot het perfecte huis, waarbij het toch niet zo’n groot probleem was als er geen cv in zat. Ik had al bedacht wat ik allemaal zou moeten kopen en welke spullen ik mee en niet mee zou willen nemen. De spullen die ik niet mee wilde nemen zou ik achterlaten voor mijn huisgenoot, of proberen te verkopen of weggeven. En ik dacht na over welke kleur ik alles zou willen verven en wat voor vloerbedekking er op de vloer moest. En wie ik allemaal zou kunnen vragen om te helpen met verhuizen en of ik dan weer een busje moest huren of dat een aanhanger voldoende zou zijn en wie die dan achter zijn auto zou kunnen hangen.

Dat soort dingen dacht ik, zonder dat ik ook nog maar iets van het huis had gezien.

Ik dacht die dingen vooral toen ik op bed lag en eigenlijk wilde slapen. Wat natuurlijk niet lukte, omdat ik aan dit soort dingen dacht. Gelukkig hoefde ik maar twee dagen te wachten voor ik kon gaan kijken en lag ik dus ook maar twee nachten wakker om over al deze nutteloze dingen na te denken.

Toen ik eindelijk bij het huis mocht gaan kijken, bleek het helemaal niet zo’n droomhuis te zijn. Het was juist een huis waarin ik wakker zou liggen, iedere dag in de zomer. En in de winter waarschijnlijk ook. Dus wees ik het aanbod af en besloot ik om niet meer zo veel over huizen na te denken die ik nog niet heb, want daar heb je helemaal niks aan.

Wacht, ik krijg weer een melding van een huis dat vrij staat. Eens kijken hoe ik dat zou inrichten…

Tjilp tjilp, goedemorgen?

De lente zit er aan te komen. Het is langer licht. En… nou dat was het eigenlijk tot nu toe wel. Van warmte is nog geen sprake en de zon heb ik ook al een tijdje niet gezien. Maar het is dus langer licht.

En – alsof ze de kalender erop naslaan – de vogeltjes zijn sinds de vroege morgen van 1 maart weer actief. Leuk, hoor ik veel mensen al denken. Gezellig, dat gekwetter. Lekker wakker worden met het geluid van de vogeltjes.

Maar nee hoor, dat is niet leuk. Niet als dat ‘lekker wakker worden met het geluid van de vogeltjes’ al om 5 uur ’s ochtends is. Niet als je gewoon tot minstens half 8 wilt slapen zónder geluid van de vogeltjes. Het zijn best leuke beestjes hoor, zolang ze lekker rondfladderen en hun snavel houden.

Maar dat doen ze niet.

Om 5 uur ’s ochtends worden ze wakker om hun lied te zingen. En om 5 uur ’s ochtends word ik dus ook wakker. Om hun lied te horen. Zonder dat ik daar om gevraagd heb.

Zo rond half 8 zijn ze weer stil. Zo rond de tijd dat ik moet opstaan en dus toch wakker moet worden. Op dat moment zouden ze van mij mogen beginnen met fluiten. Dan is het best gezellig, dat gekwetter. Maar juist op dat moment stoppen ze met fluiten en zijn ze stil.

Waarom? Om te slapen? Omdat ze het zat zijn? Of gewoon om mij te pesten?

Ik heb het sterke vermoeden dat vogels er alleen zijn om allerlei complotten te smeden. Sommigen smeden een moordcomplot tegen arme meisjes. En anderen smeden een houd-Rosanne-ten-allen-tijde-uit-haar-slaapcomplot.

Mensen, WAKE UP! (en daar zullen die beestjes wel voor zorgen), die vogels zijn niet lief en schattig. Het zijn terroristen in disguise!

Vanaf nu tot het einde van de zomer zul je mij weer met wallen onder mijn ogen zien rondlopen.

En ben ik in mijn vrije tijd vooral bezig met Angry Birds spelen.

Araneae

Ik lag op bed en probeerde te slapen. Het lukte nog niet erg goed. Had het te maken met die spannende film die ik net had gezien? Nee, vast niet, ik heb wel engere films gezien, zonder dat ik daarvan wakker heb gelegen. Misschien dan met de vraag aan wat voor leuke dingen ik mijn volgende werkloze dag zou gaan besteden? Dat leek me toch ook geen groot probleem. Ik kwam er niet uit en ging maar weer verder met proberen te slapen.

Na een tijdje hoorde ik wat gerommel op de gang. Het licht ging aan.

Wat zou huisgenoot aan het doen zijn? Die lag toch ook al op bed? Nou ja, ieder haar ding, om twaalf uur ’s nachts. Ik ging weer door met waar ik mee bezig was.

Tot er opeens op mijn deur geklopt werd. Toen stopte ik even met proberen te slapen en zei:

“Ja.”

De deur ging open en ik keek vanuit mijn hoogslaper neer op een doodsbange huisgenoot. Trillend op haar benen. Angstzweet.

Ze piepte uit: “Kun je me helpen?”

“Euh misschien, waarmee?”

“Er zit een enorme spin in mijn kamer!”

Aha, daar werd mijn heldenstatus aangesproken. Ik voelde me vereerd. Omdat ik weet dat huisgenoot niet zo van dieren houdt, vooral niet van spinnen en al helemaal niet als ze in haar slaapkamer zitten en nog wel het allerminst als ze wil slapen, besloot ik dat ik daarvoor mijn pogingen tot slapen wel even kon staken.

Dus klom ik uit mijn bed en ging naar de plek des onheils. Onderweg besloot ik alvast hoe ik dit probleem zou aanpakken (sorry dierenliefhebbers, misschien moeten jullie vanaf hier maar niet meer verder lezen…) en ik nam de stofzuiger mee. Aangekomen in de slaapkamer zag ik haar/hem direct zitten. Precies boven het hoofdeind van het bed van huisgenoot, dus als ze met haar mond open zou slapen, zou het harige wezen er zo in kunnen vallen.

Daar zou ook ik niet heel blij van worden. Daar moest iets aan gedaan worden.

Met de stofzuiger in de aanslag ging ik op het bed staan. Ik voelde me net een Ghostbuster.

En hoppa, met één druk op de knop zoog ik het schepsel de stofzuiger in. De slaapkamer was verlost van het monster, mijn huisgenoot kon weer rustig gaan slapen.

En ik?

Ik klom mijn bed weer in. Ik hoefde niet verder te gaan met proberen te slapen. Na deze inspanning viel ik direct in slaap!

En droomde ik van een nieuwe carrière als held.

Wintervoorbereidingen

Voor de mensen die mij enigszins kennen is het geen nieuws. Wellicht zijn er ook mensen die het nog niet weten, maar: ik ben een koukleum. En niet zomaar één. Nee, een echte klappertandende kippenvel-koukleum. En niet alleen als het vriest. Ook ’s zomers op de camping met een slaapzak die volgens de verpakking tot drie graden comfortabel moet zijn. Dan heb ik fleecedekens, fleecevesten, pyjamabroeken en dikke sokken bij me. Het liefst zou ik dan ook nog een kacheltje in mijn tent zetten, maar dat is om praktische redenen niet mogelijk. Meer koukleum kan bijna niet.

Toch woon ik in een huis dat uitermate ongeschikt is voor mensen als ik. Grote ramen met enkel glas, een kiertje hier en daar, dikke betonnen muren waar de winterse kou zich in nestelt (en in de zomer zijn ze juist weer warm, terwijl dat wat mij betreft dan weer niet zo nodig hoeft). Deze woning bevindt zich ook nog eens op de bovenverdieping van een flat, op de hoek. Dus wordt er ook geen burenwarmte gevangen. Vorige winter was mijn gordijn aan mijn raam vastgevroren! Niet geschikt voor koukleumen dus. En ik woon daar.

Er zijn dus wat middelen nodig om mijn leven in de winter enigszins dragelijk te maken. Ik heb bijvoorbeeld lekker warme dikke sloffen. Op bed heb ik twee dekbedden, twee fleecedekens, een pyjama en een kruik. Die kruik is een beetje ouderwets en het warmt maar ongeveer 30 vierkante centimeter van mijn bed op. Dus moet ik kiezen: ga ik voor koude tenen, koude knieën, of een koude kont. Vorige week leek ik daarvoor de oplossing gevonden te hebben. Mijn ouders hadden nog een elektrische deken over die ze zelf niet meer gebruiken. Hoewel deze uitvinding al in de vorige eeuw gedaan is, is het voor mij iets compleet nieuws. En het lijkt me best fijn. Dus ging ik gisteren vol goede moed de deken installeren. Dit is best simpel: je legt hem gewoon op je matras. Daaroverheen komen dan de molton en het laken. In mijn geval is dat meer werk dan je zou verwachten, omdat ik een hoogslaper heb. En dat is nou eenmaal minder praktisch bij dit soort werkzaamheden. Ik deed er dus even over, maar het is gelukt (toen ik hiermee klaar was had ik het trouwens wel warm, dus in die zin heeft de deken al wel gewerkt). Als alles klaar is steek je de stekker in het stopcontact en gaat de deken opwarmen. Dat dacht ik tenminste. Maar er gebeurde helemaal niks. Ook niet na vijf minuten, een half uur, op stand drie. Geen warmte. Hij is blijkbaar kapot. Of gunt mij geen lekker warm bedje. Na al die moeite bedacht ik me dat ik misschien het testen en de installatie in omgekeerde volgorde had moeten uitkeren. Al doende leert men. Nu ligt er in mijn bed dus een elektrische deken die niet werkt en komt daar toch ook maar weer de ouderwetse kruik bij.

Ook in de woonkamer heb ik het niet altijd warm. Daar lig ik vaak op de bank met een fleecedekentje. Maar zo’n dekentje kan voor een hoop ongemak zorgen. Hij glijdt van je af als je beweegt, je krijgt koude armen als je een kopje thee wil pakken, een boek wil lezen of de afstandsbediening van de tv wil gebruiken. Daarom is er ook de Snuggie uitgevonden. Niet elektrisch, wel heel erg handig, in allerlei situaties.

Deze heb ik dus nog niet, maar zou mijn winters een stuk comfortabeler maken.

 

Oh ja, ik ben bijna jarig.

 

Logica

Ik heb een tijdje op jullie kosten geleefd. Dat zit zo: ik ontving een WW-uitkering. Natuurlijk heb ik daar zelf altijd netjes geld voor afgestaan, toen ik nog werkte. Maar ik geloof nooit dat dat zoveel is geweest dat daar heel mijn uitkering van betaald is. Jullie belastingcentjes zullen daar dus ook wel aan besteed zijn. Nog bedankt daarvoor!

Gelukkig is daar nu een eind aan gekomen. Dus had ik gisterochtend een afspraak met mijn werkcoach van het UWV om me uit te schrijven. Deze afspraak maakte hij via het fantastische systeem dat de 'werkm@p' heet (ja echt, met @). In dit systeem kun je communiceren met je werkcoach en documenten uitwisselen. Toen mijn werkcoach van mij had vernomen dat ik werk gevonden had, plande hij dus een afspraak in, via de werkm@p. Voor dinsdag 4 oktober, van 8.15 tot 8.30.

???Wat dom van die man,??? dacht ik in eerste instantie. Want 3 oktober moet ik beginnen met werken. ???Wat slim van die man,??? dacht ik in tweede instantie. Want 8.15 is heel vroeg, dus dan kan ik daarna gewoon door naar mijn werk.

Dus stond ik daar op 4 oktober om 8.15, voor een dichte deur: het UWV gaat pas om 9.00 open. Dat was jammer, want ik houd helem????l niet van vroeg opstaan. En nu stond ik daar dus al om 8.15. Dat wil zeggen dat ik al om 7.15 was opgestaan. En dat vind ik vroeg. Gelukkig was er wel een onoffici??le ingang die op een kier stond. Daar ging ik maar naar binnen en zei tegen de man achter de balie twijfelachtig dat ik een afspraak met mijn werkcoach had. Die werd gebeld en ik mocht even gaan zitten.

Na vijf minuten (groot gebouw denk ik) kwam mijn werkcoach aangelopen. ???Hallo Rosanne, wij hebben helemaal geen afspraak!??? ???Jawel, wij hebben een afspraak om 8.15,??? zei ik. ???Dat heeft u zelf in de werkm@p gezet.??? (Dat was wel lastig uitspreken, met die @.) ???Nee hoor, daar staat dat ik een brief moet opstellen om je uit te schrijven.??? ???Maar er staat toch bovenaan 'evaluatiegesprek'???? ???Ja, maar achter de opmerking 'uitschrijven' staat 'brief'. Dat betekent dat je een brief krijgt. Als er 'telefonisch' staat is het telefonisch en als er 'afspraak' staat is het een afspraak. Maar nu staat er 'brief'. Die notitie was voor mijzelf.??? Dus kon ik weer gaan. Hij bood me nog iets te drinken aan, maar ik had wel iets beters te doen. Op naar mijn werk.

Weer op de fiets zat ik me af te vragen wat de logica was van dit hele gebeuren: een bericht met het onderwerp 'evaluatiegesprek' dat alleen maar aangeeft dat ik een brief ga krijgen. Voor een gesprek ga je toch meestal ergens naartoe, op de tijd die aangegeven wordt? Ik vond het maar raar, maar voor die man leek het allemaal heel logisch.

Die dag was ik wel heel vroeg op mijn werk.